De afgelopen tijd ben ik regelmatig geconfronteerd met mijn innerlijke criticus. Deze kwam als eerste ter sprake tijdens één van mijn eerste sessies van de rouwtherapie. De buspassagier die recht achter mij als bestuurder zit en steeds zegt wat ik niet goed doe, of wat ik anders had kunnen doen. En die buspassagier, die innerlijke criticus, die is nogal aanwezig en erg hardnekkig. Bij alles wat ik doe is er een ‘ja, maar…’. Vermoeiend en erg belemmerend.
Vandaag besloot ik om die innerlijke criticus maar eens een naam te geven. Die tip heb ik vast al eerder gehad, alleen was de behoefte blijkbaar nog niet aanwezig om dit echt te doen. Tot vandaag dus. Inmiddels ben ik namelijk gestart met voorzichtig aan opbouwen. Dat gaat de ene keer beter dan de andere keer. Vandaag ging het goed; ik gaf mezelf de tijd en was niet bezig met dingen wegwerken. Ik voelde me zelfverzekerd en had weer meer vertrouwen in mijn vaardigheden. En daar kwam die stem weer, want wat had ik nu echt gedaan? Niets echt weggewerkt, dus was dat beetje werken het dan wel waard geweest?
En dat vond ik zo oneerlijk naar mezelf toe. Want ik voelde me juist zo goed na het werken, dat was me nog niet vaak gebeurd. Dus viel blijkbaar het kwartje. Want door die innerlijke criticus een naam te geven, kan ik meer afstand nemen van die stem. Dan ben ik het niet meer die het zegt, maar is het die irritante buspassagier, die ik ook gewoon kan negeren. En ik noem hem Karel. Dag Karel.
